Rendieren

Rendier

Rendieren komen van nature voor in Noord Europa, zoals Lapland. Daar leven rendieren in grote groepen. Ze worden ook gehouden door de plaatselijke bevolking voor hun huid en vlees. In de natuur eet het rendier allerlei plantjes en mossen, vooral rendiermos is favoriet. In de winter graven ze met hun poten om voedsel te vinden.

Het rendier is het enige Europese hert waarbij zowel het mannetje als het vrouwtje een gewei hebben. Ze gebruiken dit gewei bij gevechten om bijvoorbeeld de rangorde en ter verdediging van zichzelf en hun jongen.

Bij rendieren is het niet mogelijk meerdere volwassen mannetjes te houden in een groep waar ook vrouwtjes aanwezig zijn. De mannetjes worden daarom in een aparte mannengroep gehuisvest. In het Kasteelpark hebben we ook een mannengroep.
De groep is de laatste tijd flink uitgebreid, op dit moment bewonen 6 rendieren het verblijf. Op dit moment hebben we rendieren uit de zoo's van Denemarken, Wuppertal, Praag, Arnhem en Rhenen.

Poolvossen

Poolvos

Naast het rendierverblijf is het poolvossenverblijf In dit verblijf zitten nu twee poolvossen. Poolvossen en rendieren komen elkaar in de natuur ook tegen; ze bewonen dezelfde gebieden.

Poolvossen zijn in de zomer grijsbruin van kleur. Zodra de winter invalt wordt de vacht vanaf de staart eerst grijs en tenslotte sneeuwwit. De vacht zelf wordt dan ook veel dichter. Met zijn dikke vacht kan de poolvos temperaturen tot -70°C verdragen.

Wasberen

Wasbeer

In kasteelpark Born wonen 17 wasberen die allen afkomstig zijn van stichting Aap.Hun verbijf is in 2005 gebouwd en is ongeveer 300 m2 groot.

De wasbeer is een kleine beer met een zwart-wit geringde staart. Zijn gezicht lijkt net een masker. Overdag ligt hij te slapen in een holle boom of een leeg nest. ’s Avonds gaat hij op zoek naar voedsel. De wasbeer gaat in het water op zoek naar kikkers en vissen. Of hij klimt over de boomtakken op zoek naar een vogelnest of fruit.
De wasbeer woont op plaatsen waar veel water is. De wasbeer heeft de gewoonte om het eten met zijn voorpoten (die op handjes lijken) heen en weer te wrijven en het af en toe onder water te houden. Daarom noemt men hem ook wasbeer.

Klik hier voor het persbericht .

Lynxen

Lynx

De lynx heeft grote oorpluimen, bakkebaarden, lange poten en een korte staart. De oorpluimen zijn een soort antenne. Hierdoor kan hij geluiden opvangen en weet hij precies waar z’n prooi zit.
Een lynx kan heel goed ruiken. Hij ruikt een rat vanaf 75 m afstand en een ree vanaf 600 m!
Doordat zijn achterpoten langer zijn dan z’n voorpoten kan hij heel goed springen. Een lynx kan vanuit stilstand 2 meter hoog springen om een opvliegende vogel te vangen!
Ook jagen kan hij goed: door zijn slanke, gespierde lichaam kan hij zijn prooi vele kilometers achtervolgen.
Als een lynx wordt geboren is hij blind, maar heeft wel al haren. Twee maanden na de geboorte gaan ze al met moeder op jacht.
Na twee jaar is de lynx volwassen.

Berberapen

Berberaap

De berberaap heeft veel verschillende namen.
Zo wordt hij ook wel makaak of magot genoemd.Wat opvalt bij deze aap is dat je zijn staart niet kunt zien.
Een berberaap weegt ongeveer 20 kilo. Als er een jong geboren wordt, is deze nog helemaal kaal.
Berberapen kunnen heel goed klimmen.
Vaak leven ze in grote groepen. Het is de enige apensoort die in het wild in Europa voorkomt.

De berberapen die hier in Kasteelpark Born verblijven zijn in 2004 door stichting Aap geplaatst.

Klik hier voor het persbericht .

 

Stekelvarkens

Stekelvarkens

Het stekelvarken valt op door zijn grote, vaak zwart-wit geringde stekels. Bij de staart zitten holle stekels, die bij opwinding tegen elkaar worden geslagen en dan een hard, rammelend geluid maken.
In noodsituaties worden alle stekels opgezet en lopen de dieren achteruit op de vijand af

Stekelvarkens hebben kleine ogen. Hun oren kun je bijna niet zien want die zitten onder de vacht.  Ze hebben korte, stevige poten met grote voeten. Stekelvarkens kunnen heel goed horen en ruiken, maar slecht zien. Ze horen vanaf grote afstand wanneer er een vrucht op de grond valt.

Stekelvarkens zijn echte grondbewoners. Ze zoeken bescherming in het struikgewas en maken hun nest in een holte in de grond. 's Nachts gaan ze op zoek naar voedsel en maken daarbij een luid knorrend geluid.

 

Uilen

Kasteelpark Born heeft een mooie collectie uilen waaronder diverse soorten oehoes .
De Europese Oehoe is de grootste uilensoort ter wereld en het vrouwtje is groter dan het mannetje.
De oehoe komt voor in heel Europa en in een gedeelte van Azië. Oehoes leven bij voorkeur in bossen met rotsen, maar ook wel in bosachtige steppen en in rotsachtige- en zandwoestijnen.
Deze uil heeft zijn naam te danken aan de roep die hij vooral ’s avonds laat horen.

Sneeuwuil

De sneeuwuil is, anders dan de meeste andere uilen, overdag actief. Het mannetje is helemaal wit, het vrouwtje heeft zwarte stippen. Door zijn witte vacht valt hij niet op in de sneeuw. De pootjes hebben veel veren. De sneeuwuil voelt zich thuis in open gebieden. Hij maakt zijn nest op de grond of op een heuveltje. Eigenlijk is het nest alleen maar een kuil.

Onze doorloopvolière:

In deze volière zitten allerlei soorten parkieten, spreeuwachtigen en roodschoudertalingen, het mooie aan deze volière is dat de bezoekers naar binnen mogen en de dieren zonder gaas of een ander soort afscheiding kunnen bekijken, de dieren hebben in deze volière de genoeg ruimte om goed te kunnen vliegen en te leven met soortgenoten zoals dat in de vrije natuur ook gaat. De vogels worden in de buurt van het wandelpad gevoerd zodat U ze van dichtbij kunt aanschouwen.


In deze volière bevinden zich o.a. de:


Grasparkiet

Engelse Grasparkiet
Valkparkiet
Bergparkiet
Halsbandparkiet
Princess of Walesparkiet
Australische Koningsparkiet
Roodrugparkiet
Prachtrosella
Bleekkoprosella
Patagonische Rotsparkiet
Beo
Kaapse Glansspreeuw

 

Het Kasteelpark en zeker deze doorloopvolière zijn een bezoekje waard.

De Grasparkiet

De Grasparkiet komt oorspronkelijk uit Australië, waar hij in gigantische zwermen rondtrekt. In de natuur komt alleen de groene kleurvorm voor, zodat hij als er gevaar dreigt onzichtbaar kan verdwijnen tussen de blaadjes van de bomen. De grasparkiet kiest normaal één partner voor het leven en zij doen dan ook altijd alles samen.

De grasparkiet is tussen de 18 en 24 cm groot ( van kop tot staart) en weegt rond de 35 gram. Gemiddeld leeft een grasparkiet tussen de 12 en 14 jaar, maar ze kunnen ook veel ouder worden. Na 6 maanden een grasparkiet geslachtsrijp en kan dan zelf jongen brengen, tot wel 3 broedsels per jaar. Je kunt het verschil in geslachten zien aan de neusdoppen, het mannetje heeft blauwe neusdoppen en het vrouwtje bruine neusdoppen.

In de natuur eten grasparkieten verschillende soorten zaden en grassen, in het Kasteelpark krijgen ze parkietenzaad, wilgentakken, fruit, kiemvoer (gekiemde zaadjes) en eivoer, ook kunnen ze op de bodem van de volière hun kostje bij elkaar scharrelen.

De Engelse grasparkiet is een kweekvorm van de gewone grasparkiet, hij is groter en voller dan de gewone grasparkiet, en is oorspronkelijk gekweekt zoals de naam al zegt in Engeland.


De Valkparkiet

De valkparkiet komt bijna in heel Australië voor. Valkparkieten leven in het wild in kleine groepjes. Hun leefgebied is niet specifiek. Ze komen in diverse streken en gebieden voor. De valkparkiet komt voor in dichte wouden, in woestijnachtige gebieden maar ook in open savanneachtige gebieden. Ze leven een zwervend bestaan en in het algemeen kan gesteld worden dat ze zich daar ophouden waar voldoende water en voedsel aanwezig is.

De valkparkiet is ongeveer 30-35 cm groot (inclusief het staartje) en weegt 80-100 gr. hij kan wel 15 tot 20 jaar oud worden. Aan de staartveren kun je zien of het een mannetje of een vrouwtje is. Bij de mannetjes heeft de ondergaat van de staart een egaal grijze kleur en bij het vrouwtje staan er horizontale grijs-gele strepen op, ook heeft het vrouwtje een minder felgekleurd kopje.

In het zuiden van Australië broedt de valkparkiet in de periode van augustus tot december, in het noorden van april tot juni en in midden Australië houdt de valkparkiet er geen vaste broedperiode op na. Afhankelijk van het weer, broeden ze hier in elke maand van het jaar.
In het wild broeden valkparkieten in holten van dikke takken en boomstammen, waarbij hun voorkeur uitgaat naar broedgelegenheden met een vrij uitzicht. En kunnen per jaar 2 tot 3 broedsels grootbrengen. Als voedsel eten ze zaden van grashalmen en acaciastruiken. Verder bestaat het menu nog uit vruchten, bessen en insecten. In het Kasteelpark krijgen ze onder andere gemengd parkietenzaad, wilgentakken, kiemvoer, fruit en eivoer.

In het Kasteelpark zitten verschillende mutaties van de valkparkiet o.a. de lutino, witmasker en geparelde kleurslag.



De Bergparkiet

De bergparkiet komt het zuiden van Australië, daar komt hij voor in open bos, in bomen langs wegen en waterlopen en in graanvelden en boomgaarden; daarnaast in terreinen met struikachtige tot drie meter hoge eucalyptussen. Hij is in de natuur minder algemeen. Ze worden in de meeste gevallen aangetroffen in paren of kleine groepen, hoewel af en toe vluchten van zo'n drie- tot vierhonderd exemplaren worden gesignaleerd. 's Nachts slapen ze in bomen langs oevers van waterlopen. Overdag vertonen ze het gedrag dat van veel parkieten in de natuur bekend is: 's Morgens voedsel zoeken, overdag rusten in de beschutting van bomen of dicht struikgewas bij het voedselgebied, tegen de avond weer voedsel opnemen en dan vertrekken naar de slaapplaatsen.

De grootte van kop tot staartpunt is tussen de 37 en 42 cm. De geslachten zijn te onderscheiden door de kleur het mannetje: kop en nek olijfachtig geel, lichaam heldergeel, rug olijfkleurig geelgroen, staart blauwzwart, snavel rood. Vrouwtje: meer groenachtig van kleur dan het mannetje, vooral aan de kop, hals en borst. Staart van boven donker groen, vanonder zwart, roze gezoomd, behalve de twee middelveren.

Het vrouwtje legt 3 tot 6 eieren, die ze in 21 dagen uitbroed. In deze periode wordt ze door het mannetje op het nest gevoerd. Op een leeftijd van 5 weken verlaten de jonge vogels het nest en worden daarna nog 3 weken door beide ouders gevoerd. Pas op een leeftijd van 1,5 jaar zijn de jonge vogels volledig op kleur. Voor die tijd lijken ze op het vrouwtje. De jongen lijken zeer veel op het vrouwtje. De eerste gele veren verschijnen bij de jonge mannetjes wanneer ze ongeveer 7 maanden oud zijn. Pas op een leeftijd van ongeveer 16 maanden zijn ze volledig uitgekleurd.

In het Kasteelpark eten deze vogels, gemengd parkietenzaad, papegaaienzaad, wilgentakken, kiemvoer, fruit en eivoer.



De Halsbandparkiet

Er zijn grofweg twee ondersoorten, de Afrikaanse en de Aziatische, de Afrikaanse heeft een zwarte snavel en de Aziatische een rode. In het Kasteelpark wordt de Aziatische variant gehouden.

De halsbandparkieten wonen in bosrijke omgevingen, in lichte rimboes en in half-woestijnachtige wildernissen. Ze komen vrijwillig dicht bij de bewoonde wereld. Ze zijn talrijk rondom de grote steden in het noorden van Indië. In het algemeen ziet men ze in kleine groepjes, maar als er een overvloedige bron van voedsel is, kunnen ze zich per honderden groeperen.

Nadat het vrouwtje de eieren 22 dagen heeft bebroed komen de jongen uit. Op een leeftijd van 6 weken verlaten de jongen het nest en worden dan nog 2 weken door hun ouders gevoerd. Pas uitgevlogen jongen lijken op het vrouwtje en krijgen pas in hun 2e jaar hun volwassen kleuren. Op een leeftijd van 3 jaar zijn deze vogels geslachtsrijp. De geslachten zijn gemakkelijk uit elkaar te houden, mannetjes hebben een zwarte halsband bij de vrouwtjes ontbreekt dit, bij vogels onder de 2 jaar is het verschil niet te zien.

In het Kasteelpark eet de halsbandparkiet gemengd parkietenzaad, papegaaienzaad, wilgentakken, kiemvoer, fruit en eivoer.

In de volière kunt U onder andere de volgende mutaties zien: de blauwe, gele en olijfkleurige vorm.




De Princess of Walesparkiet

In het wild komt de princess of walesparkiet uit de droge binnenlanden van Australië. Hier komt hij voor in kleine groepjes.

De princess of walesparkiet is ongeveer 45cm groot, de staart kan soms wel 20 cm lang worden, en weegt tussen de 100 en de 120 gram. Deze parkieten hebben een levensduur van circa 20 jaar. Mannetjes zijn veel feller gekleurd dan de vrouwtjes, en hebben langere staartveren.

In het land van oorsprong broeden ze het hele jaar door, dit is wel afhankelijk van de regen en het voedselaanbod, in Nederland is het een beetje afhankelijk van de weersomstandigheden maar als ze binnen gehouden worden kunnen ze ook het hele jaar rond broeden. Het vrouwtje broedt 3 weken op 4 tot 6 witte eieren, tijdens deze periode voert het mannetje zijn vrouwtje zodat zij zo min mogelijk van het nest af hoeft. Als de jongen uitgekomen zijn worden ze door beide ouders gevoerd en na vijf weken verlaten ze het nest, na het uitvliegen worden ze nog enkele weken door de ouders begeleid en gevoerd.

Hun voedsel in het Kasteelpark bestaat uit parkietenzaad, papegaaienzaad, wilgentakken, fruit, kiemvoer en eivoer.

In de doorloopvolière kunt U de wildkleur en de blauwe mutatie zien.


De Australische koningsparkiet

De koningsparkiet komt voor in de kust- en berggebieden van oost-Australië en van noord Queensland tot zuid Victoria. In zijn verspreidingsgebied is hij voornamelijk waar te nemen in eucalyptus bossen en in het subtropisch regenwoud. Van nature is de koningsparkiet dan ook een bosvogel.
Toch schuwt hij het niet om regelmatig in aangrenzende meer open, licht beboste terreinen en in graanvelden en boomgaarden zijn gezicht te laten zien. Vooral buiten het broedseizoen is laat de koningsparkiet zich ook in de parken en tuinen van steden en dorpen zien. Koningsparkieten vliegen gewoonlijk rond in paren of kleine groepen. In de herfst verzamelen de jonge vogels zich in groepen van twintig tot wel dertig stuks. Overdag zijn de vogels vaak te vinden in bomen en struiken waar ze beschutting zoeken voor de zon en of op zoek zijn naar voedsel. Ook komen ze regelmatig op de grond om te drinken en voedsel te zoeken.

Deze vogel is ongeveer 42 cm groot. Bij de man zijn de kop en de onderzijde van het lichaam rood. De onderstaartveren zijn donkergrijs met een rode rand. De mantel, de rug en de vleugels zijn donkergroen. De schouderdekveren lichtgroen. Boven de mantel bevindt zich een smalle blauwe band. De bovenstaartveren, de stuit en de onderkant van de rug zijn donkerblauw. De middelste staartpennen zijn zwart, lichtjes groen getint, de buitenste staartpennen zijn groenachtig zwart met een blauwe tint.de bovensnavel is oranjerood met een zwarte punt, de ondersnavel is zwart. De ogen zijn geel. De poten zijn grijs. Bij het vrouwtje is de kop groen. De keel en de borst zijn grijsachtig groen met een rode tint op de keel. De onderkant van de borst en de buik zijn rood. De stuit is blauw met een groene tint, de snavel is helemaal bruinzwart, de ogen zijn bleekgeel. De jongen lijken op het vrouwtje, hun snavel is bleekbruin en hun ogen zijn bruin.

Ze zijn kweekrijp op 3 jaar. De man kan al eerder kweekrijp zijn. Het legsel bestaat uit 4 of 5 eieren die gedurende 21 dagen bebroed worden. De jongen vliegen meestal op 5 weken uit en worden nog gevoederd door de ouders. De man komt in het nest om de jongen te voederen. Koningsparkieten zijn niet altijd voorbeeldige ouders, het gebeurt dat ze maar 1 of 2 jongen groot brengen en de andere laten sterven. Er is maar 1 legsel per jaar.

Het voedsel in het Kasteelpark bestaat uit parkietenzaad, papegaaienzaad, wilgentakken, kiemvoer, fruit en eivoer.


De Roodrugparkiet

De Roodrugparkiet is een Australische parkiet die leeft in het zuidoostelijk deel van Australië.Het geslacht van deze vogel is makkelijk herkenbaar en dit door de rode vlek op de rug van de mannen. De mannen zijn ook altijd kleurrijker dan de grijsgroene vrouwtjes. De mannen hebben een mooi muzikaal geluid.

Er worden tussen de 4 tot 7 eieren gelegd die circa 19 dagen bebroed worden en uitsluitend door de pop. De pop wordt tijdens het broeden gevoed door de man en wanneer de jongen geboren zijn wordt de pop nog steeds van voedsel voorzien door de man, dat ze op haar beurt dan doorgeeft aan de jongen. Na 4 weken verlaten de jongen het nest en worden dan nog twee weken door de ouders gevoed. Na 6 weken zijn ze dan zelfstandig. De meeste roodrugparkieten brengen per jaar twee broedsels groot. Na drie maanden zijn de jongen volledig op kleur.

Het voedselaanbod in het Kasteelpark bestaat uit parkietenzaad, wilgentakken, fruit, kiemvoer en eivoer.


De Prachtrosella

De Prachtrosella komt van oorsprong uit het Zuidoosten van Australië, en bewoont dan vooral open bosland of spaarzaam bebost grasland.

De Prachtrosella is zo'n 30 lang, de kop en de bovenkant van de borst zijn felrood, op de wang zijn er witte vlekken. Op de rug zijn er regelmatige zwarte vlekken en de buik is geel. De schouders en staart zijn lichtblauw. De pop is iets doffer van kleur.
De pop legt gemiddeld 5 eitjes die in 19 tot 21 dagen worden uitgebroed. De eerste dagen worden de jongen door de pop gevoerd. Als ze wat ouder zijn springt het mannetje haar bij. De jongen verlaten de nestkast op een leeftijd van ongeveer 35 dagen. Na een jaar of soms wel langer zijn de jongen volledig op kleur, in het begin zijn ze overwegend groen.
In het Kasteelpark eten deze vogels parkietenzaad, papegaaienzaad, wilgentakken, fruit, kiemvoer en eivoer.
In de volière zitten verschillende mutaties onder andere de wildkleur en de geelmantel.



De Bleekkoprosella


De Bleekkoprosella komt oorspronkelijk uit Noord en Oost-Queensland, noordelijk Nieuw-Zuid-Wales.
De grootte van deze kleurrijke parkiet ligt rond de 33 cm. en hij is als volgt gekleurd, kop bleekgeel, wangen en keel wit, nek- en rugveren zwart met een zeer brede goudgele zoming, schouderveren zwart, vleugels afwisselend gekleurd in blauw, groen en violet. Middelste staartveren donkerblauw, de andere lichtblauw, borst en buik lichtblauw, onderstaartdekveren donkerblauw de andere lichtblauw, borst en buik lichtblauw, onderstaartdekveren rood, snavel lichthoornkleurig. Het vrouwtje is meestal wat kleiner en wat matter gekleurd dan het mannetje.
Het legsel bestaat uit 4 tot 8 eieren, die in 22 dagen worden uitgebroed. Daarna blijven de jonge vogels nog ongeveer 5 weken op het nest alvorens ze uitvliegen. Op een leeftijd van ongeveer 1 jaar krijgen de jonge vogels hun volwassen kleuren.
In het Kasteelpark eten deze vogels parkietenzaad, papegaaienzaad, wilgentakken, kiemvoer en eivoer.



De Barnardparkiet


De barnardparkiet komt van oorsprong uit zuidoost Australië, en bewoont daar vooral de droge open boslanden.
Hij is tussen de 32 tot 34 cm groot en overwegend groen gekleurd met een blauwe keel en gele nek en borststreep. Het mannetje is vaak wat forser dan het vrouwtje en heeft ook sprekendere kleuren.
De pop legt 4-6 eieren, die plm. 21 dagen worden bebroed. Na vijf weken vliegen de jongen uit, en twee weken later zijn ze zelfstandig.
Hun voedsel in het Kasteelpark bestaat uit parkietenzaad, papegaaienzaad, wilgentakken, kiemvoer en eivoer.

De Patagonische rotsparkiet


De rotsparkiet broedt in Cordoba en Chubud, en in noord tot het zuiden van Neugu en het zuiden van Buenos Aires, Argentinië.De zuidelijkste populatie trekt in de winter naar het noorden, Mendoza tussen Rios en Uruguay.
Deze vogel is ongeveer 45 cm groot en zijn rug is overwegend olijf-groen gekleurd, de keel en een gedeelte van de borst zijn grijs en de buik is geel, oranje gekleurd.
Het verschil tussen de geslachten is moeilijk te zien, vaak heeft het mannetje een grotere kop dan het vrouwtje. De jongen zijn na 12 maanden op volwassen kleur.
Broeden begint in maart en leggen ongeveer 2 tot 5 eieren per legsel. Broedtijd kan variëren van 23 tot 24 dagen. De jongen vliegen uit na 8 weken. Ze zijn zeer gevoelig van schrikken tijdens het broeden. Het kan enkele jaren duren vooraleer een paartje begint te broeden..
Het voedselaanbod in het Kasteelpark bestaat uit parkietenzaad, papegaaienzaad, kiemvoer, wilgentakken, fruit en eivoer.





De Beo


Beo's komen in het wild voor in delen van Oost-lndia, de Himalaja van Kunlun tot Zuid-China, van Malakka tot Maleisië en op veel Zuidoostaziatische eilanden. Daar zijn ze vooral te zien in boomkruinen aan de randen van dichte bossen of bij open plekken, vaak in vruchtdragende vijgenbomen. Soms tref je ze ook aan in besdragende struiken. Zeer zelden komen ze op de grond voor.
Buiten de broedperiode leven ze in groepjes van 5 of 6 vogels. Soms tref je ze aan in zwermen van honderd of meer (samen met andere grote vruchteneters) in vruchtdragende vijgenbomen. Ze vormen paren voor het leven.
De beo is een zwarte vogel met een puntige gele snavel en achter zijn ogen hangt een geel huidflapje, de pootkleur van de beo is geelgrijs.
In de natuur eet de beo vruchten en bessen, vooral wilde vijgen, daarnaast ook nectar en insecten, ze vangen termieten in de vlucht en slapen apart of paarsgewijs op dichtgebladerde takken of in boomholten, ze vormen paren voor het leven.
In het Kasteelpark krijgt de beo universeelvoer, insecten (bijv. meelwormen), fruit en eivoer ook eet hij wel eens wat zaad mee van de parkieten.



De Driekleurglansspreeuw


De Driekleurglansspreeuw komt voor in Zuidoost-Soedan, Zuid-Ethiopie, Somalië, naar het Zuiden tot Tanzania, daar bewoont hij de steppen en savannen, meestal in groepen; ze zijn niet schuw.
Het voedsel van deze spreeuwachtige in het wild bestaat uit wormen, insecten, vruchten en bessen.
Broeden gebeurd in bomen, zelden in struiken. Het nest is kogelvormig en wordt gemaakt van takjes, vaak worden meerdere nesten aan elkaar gebouwd. Deze worden in hoofdzaak bekleed met vleugelveren. Het legsel bestaat uit 2-4 eieren, De jongen vliegen na ongeveer 20 dagen uit en worden aansluitend nog ca. 14 dagen gevoerd, daarna zijn ze zelfstandig.
In het Kasteelpark eet de Driekleurglansspreeuw universeelvoer, insecten (bijv. meelwormen) fruit en eivoer.


De Kaapse glansspreeuw


De Kaapse glansspreeuw komt in het wild voor in Afrika, met name Kameroen, Senegal, Oeganda en Kenia. We vinden ze daar op het open veld speciaal vooral waar de bomen vrij verspreid staan, vaak zijn ze te vinden waar veel vee graast en dan meestal in groepjes van 10 tot 20 vogels. In de dichte wouden en bossen komen deze vogels niet voor.
Het voedsel in het wild bestaat uit met name insecten, vruchten en bessen.
Het vrouwtje legt ongeveer 3 tot 4 eitjes, deze hebben een lichte blauwgroene kleur en donkere spikkeltjes. Ze worden uitsluitend door het vrouwtje bebroed. Het mannetje blijft dicht in de buurt om het nest te bewaken. Na ongeveer 14 dagen komen de eitjes uit. De jonge spreeuwen worden door beide ouders vrijwel uitsluitend met levend voer grootgebracht.
Het voedselaanbod in het Kasteelpark bestaat uit universeelvoer, insecten ( o.a. meelwormen) fruit en eivoer.


Naar boven